Besox

Nog steeds onduidelijkheid over nieuwe fiscale maatregel voor ploegenarbeid bij werken in onroerende staat

9 Oktober 2018

De wet betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie, ook wel de relancewet genoemd, voorziet een uitbreiding van de bestaande fiscale steunmaatregel voor ploegenarbeid naar ploegenarbeid bij werken in onroerende staat op werven.

De nieuwe fiscale maatregel zou ingaan vanaf 2018, maar tot op vandaag is er helaas nog steeds onduidelijkheid over de praktische toepassing ervan. Om deze maatregel effectief te kunnen toepassen, zijn we bijgevolg genoodzaakt om te wachten op bijkomende toelichting vanuit de overheid.

  1. Uitbreiding van deze maatregel voor werken in onroerende staat

De maatregel bestaat uit een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing die wordt ingehouden op het loon van de werknemers voor ondernemingen met ploegenarbeid.

De relancewet voegt een nieuwe definitie van het begrip ploegenarbeid toe.

Hierdoor kan de maatregel voortaan ook toegepast worden als de volgende voorwaarden samen vervuld zijn:

  • De onderneming verricht het werk in één of meerdere ploegen van minstens twee personen, die hetzelfde of complementair werk doen zowel qua inhoud als qua omvang.

Voor deze uitbreiding wordt dus niet vereist dat het om “opeenvolgende ploegen” gaat. Het is voldoende dat de werknemers tewerkgesteld worden in een ploeg van minstens 2 personen.

  • Het gaat om werken in onroerende staat overeenkomstig de btw-regelgeving (zoals omschreven in artikel 20, §2 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992).

Hiermee worden werken bedoeld die betrekking hebben op het bouwen, verbouwen, afwerken, inrichten, herstellen, onderhouden, reinigen en afbreken van een onroerend goed, alsook elke handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt. Naast de bouwsector, kunnen dus ook aanverwante sectoren (bijvoorbeeld metaal, elektriciteit, schoonmaak, enz.) voor deze nieuwe maatregel in aanmerking komen.

  • De werknemers worden op locatie tewerkgesteld, dit wil zeggen op werven en dus bijvoorbeeld niet in het atelier of magazijn van de onderneming.
  1. Minimumnorm

De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid wordt enkel toegekend voor werknemers die voor de maand waarin de vrijstelling wordt gevraagd minstens 1/3de van hun arbeidstijd effectief in een stelsel van ploegenarbeid tewerkgesteld zijn geweest. Deze voorwaarde zou ook behouden blijven in het kader van deze nieuwe maatregel.

  1. Minimumloon

In tegenstelling tot de algemene vrijstelling voor ploegenarbeid wordt er voor ploegenarbeid bij werken in onroerende staat niet vereist dat de werknemers effectief een ploegenpremie krijgen.

Voor ploegenarbeid bij werken in onroerende staat is het voldoende dat de werkgever een brutoloon van minstens € 13,75 per uur (niet geïndexeerd bedrag) toekent aan de werknemers. Dit uurloon zal jaarlijks geïndexeerd worden.

In het Belgisch Staatsblad van 31 juli 2018 werd het bedrag van toepassing voor 2018 gepubliceerd: het minimumloon bedraagt hierdoor momenteel € 17,42 bruto per uur.

Aangezien dit minimumloon zeer hoog ligt, wordt er nog verder overleg gepleegd met de FOD Financiën of er op dat vlak nog een aanpassing mogelijk is, zodat meer werknemers recht kunnen geven op de vrijstelling.

  1. Voordeel voor de werkgever

Wanneer alle voorwaarden vervuld zijn, dan kan de werkgever genieten van een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing. De vrijstelling bedraagt een percentage van de belastbare bezoldigingen van de werknemers die op locatie werken in onroerende staat in ploegen verrichten.

Het vrijstellingspercentage ligt lager dan bij de gewone ploegenarbeid, maar dit percentage zal de komende jaren wel stapsgewijs verhoogd worden als volgt:

  • Vanaf 1 januari 2018 wordt de vrijstelling bepaald op 3% van het totaal van de belastbare bezoldigingen van de betrokken werknemers;
  • Vanaf 1 januari 2019 zal er een vrijstellingspercentage van 6% gelden;
  • Vanaf 1 januari 2020 zal er een vrijstellingspercentage van 18% gelden.
  1. Formaliteiten

Er moeten twee aangiften voor de bedrijfsvoorheffing gebeuren.

De eerste aangifte heeft betrekking op de aan al de werknemers betaalde of toegekende bezoldigingen. De tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft specifiek betrekking op de werknemers die werken in onroerende staat op werven verrichten waarvoor de vrijstelling van doorstorting van BV toegepast wordt.

De werkgever moet ook een nominatieve lijst ter beschikking houden van de fiscale administratie. Deze lijst moet de volledige identiteit van de werknemers die werken in onroerende staat in ploegen op werven verricht hebben en die in aanmerking komen voor deze fiscale steunmaatregel bevatten, alsook de periode van het jaar waarin de werknemers deze werken verricht hebben.

Bron: Wet van 26 maart 2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie, B.S. 30 maart 2018, 2e editie.