Besox

Moet u ook opnieuw een werkgelegenheidsplan voor 45-plussers opmaken?

8 januari 2015

Sedert 2013 moet elke werkgever met meer dan 20 werknemers een werkgelegenheidsplan voor 45-plussers opstellen. Dit plan moet maatregelen bevatten om de tewerkstelling van oudere werknemers te behouden of te bevorderen.

Om na te gaan of u meer dan 20 werknemers heeft, wordt er gekeken naar het aantal werknemers én uitzendkrachten in dienst op 2 januari 2013, uitgedrukt in voltijdse equivalenten. Indien u op dat moment meer dan 20 werknemers in dienst had, diende u vanaf 2013 een werkgelegenheidsplan voor oudere werknemers op te stellen.

De berekening op 2 januari 2013 blijft van toepassing voor een periode van 4 jaar. Een onderneming die bij de telling op 2 januari 2013 minder dan 20 werknemers had, moet bijgevolg gedurende vier jaar geen werkgelegenheidsplan opstellen. In januari 2017 zal er dan voor alle ondernemingen een nieuwe berekening voor het werkgelegenheidsplan moeten gebeuren.

De werkgevers die in 2013 wel verplicht waren om een werkgelegenheidsplan voor oudere werknemers op te maken, moeten nakijken wat de geldigheidsduur van hun werkgelegenheidsplan is.

  1. Eénjarenplan

Heeft u in het verleden een werkgelegenheidsplan afgesloten voor één jaar, zoals in de meeste ondernemingen het geval is, moet er vóór het afsluiten van het boekjaar (dus voor de meeste werkgevers vóór 31 maart 2015) een nieuw werkgelegenheidsplan voor het jaar 2015 worden opgesteld.

Het plan moet onder meer een evaluatie omvatten van de maatregelen die voor 2014 voorzien werden. U moet met andere woorden omschrijven wat er binnen uw onderneming gebeurd is tijdens het afgelopen jaar met de in het plan opgenomen maatregelen.

Daarna moet u het ontwerp van het plan voorleggen aan de ondernemingsraad of, bij ontstentenis, de vakbondsafvaardiging of, bij ontstentenis, het CPBW of, bij ontstentenis, de werknemers zelf.

De werknemersvertegenwoordiging brengt binnen twee maanden een advies uit en kan aanvullende of alternatieve voorstellen doen. De werkgever is niet gehouden de adviezen van de werknemersvertegenwoordiging te volgen. Doet hij dit niet, dan moet hij zijn beslissing wel toelichten en de werknemersvertegenwoordiging daarvan in kennis stellen uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van dat advies. De voorstellen van de werknemersvertegenwoordiging waarmee de werkgever geen rekening heeft gehouden en de toelichting moeten als bijlage worden opgenomen in het werkgelegenheidsplan.

Er wordt een uitzondering gemaakt voor ondernemingen met meer dan 20 maar minder dan 50 werknemers waar geen vakbondsafvaardiging en geen CPBW is. In dat geval moet de werkgever de werknemers enkel informeren over het werkgelegenheidsplan.

  1. Meerjarenplan

Wanneer u een meerjarenplan heeft opgesteld voor de periode 2013-2016, dan blijft dit plan geldig en dient u nu geen nieuw werkgelegenheidsplan op te maken.

U moet aan de ondernemingsraad wel een verslag voorleggen met de voortgang van het plan. Is er geen ondernemingsraad, moet u het verslag bezorgen aan de vakbondsafvaardiging of, bij gebreke hiervan, aan het CPBW of, bij gebreke hiervan, aan de werknemers zelf.

Als werkgever moet u het werkgelegenheidsplan gedurende 5 jaar bewaren en ter beschikking houden van de bevoegde autoriteiten. Op eenvoudig verzoek moet de werkgever dit werkgelegenheidsplan aan de inspectiediensten bezorgen.

Bron: CAO nr. 104 van de Nationale Arbeidsraad van 27 februari 2012 over de uitvoering van een werkgelegenheidsplan oudere werknemers in de onderneming.